Naar de inhoud springen

Column Sanne – Vanzelfsprekend

In de week na mijn diagnose spookten er, obviously, wel duizenden vragen door mijn hoofd over hoe het nu verder ging. Kon ik nog wel geneeskunde gaan studeren, fruit eten of zwemmen (ja, dit was oprecht de tweede vraag die ik heb gesteld. Geen idee hoe ik erbij kwam)? En hoe zou het op vakantie gaan als ik continu zou moeten meten en spuiten? Kon ik überhaupt nog wel op vakantie? Er is echter één ding waar ik me nooit zorgen over heb gemaakt: diabetes in sociale situaties.

Dat bleek volkomen terecht. Na een aantal keer te hebben aanschouwd hoe zo’n insulinepen er nou uitzag (en later het infuusding van de pomp) en ook hun eigen bloedglucose te hebben gemeten, vonden mijn medeleerlingen het niet meer raar of eng en schonken ze er ook verder geen aandacht meer aan. Alhoewel ik niet anders had verwacht op een school waar menig leerling wekelijks van haarkleur wisselt en het prima is als je in je pyjama naar school komt, is het toch altijd een beetje eng om terug te komen na zo’n grote verandering (ongeveer het gevoel na een catastrofaal kappersbezoekje, maar dan maal tien), maar gelukkig heb ik mij in die bijna twee jaar met diabetes op school nooit “anders” gevoeld.

Doordat ook op bijvoorbeeld voetbal en dansen na een korte uitleg over waarom ik dat ding op mijn heup heb zitten en waarom ik soms even moet stoppen om te meten niemand mij raar aankijkt ben ik een beetje “verwend” geraakt. Het is heel vanzelfsprekend geworden dat iedereen weet wat die apparaatjes doen en waarom ik in mijn vingers prik. Zo vanzelfsprekend dat als iemand naar mijn pomp staart, ik zelf om mij heen begin te kijken om te zien waar die persoon naar kijkt.

Dit laatste gebeurde gister nog. Ik ging samen met mijn broertje een ijsje eten bij een ijssalon waar we regelmatig komen. Terwijl ik op een bankje in de zon mijn yoghurt-kersijsje opat, merkte ik dat een vrouw heel raar naar mij keek. In eerste instantie besloot ik er geen aandacht aan te schenken, maar toen ik halverwege mijn ijsje merkte dat ze nog steeds aan het staren was, keek ik toch even achterom om te zien wat er nou achter me aan de hand was. Er zat echter niemand achter me. Toen ik wegliep, hoorde ik haar dochtertje aan haar vragen wat ik op mijn arm had zitten. Op zo’n moment word je dan toch weer even eraan herinnerd dat het – helaas- niet zo vanzelfsprekend is. Jammer, maar ach. Die mevrouw in de ijssalon die blijkbaar nog nooit een CGM gezien had kom ik waarschijnlijk toch nooit meer tegen. En gebeurt dat wel, dan zal ik haar rustig uitleggen waarom ik dat ding op mijn arm heb zitten. Zodat het weer een beetje meer vanzelfsprekend wordt.