Naar de inhoud springen

Column Anne – Achteraf

Toen ze het scherm voorzichtig omdraaide zag ik ze meteen staan. Ze sprongen eruit tussen alle andere groene vakjes: er waren twee rode. De ene was mijn bloedglucose en de andere mijn HbA1c.

Twee rode vakjes: niet gek voor een spiksplinternieuwe diabeet, zou je zeggen. Dat vond ik ook niet. Ik wist al dat hij hoog zou zijn, maar zó hoog?!?

Ik weet dat ik eerder naar de dokter had moeten gaan, maar ik was niet ziek. Althans, ik was wél ziek (ik had al die tijd al diabetes) maar ik voelde me niet ziek. Ik was niet moe of misselijk, maar had alleen ”een beetje dorst”. Dat zei ik tegen mijn moeder als ze riep dat ik naar de huisarts moest. In feite zoop ik de kraan ongeveer leeg, maar verder voelde ik me prima. Dat maakte ook dat ik dat doktersbezoekje een half jaar uitstelde. Ik geloofde écht dat ik geen diabetes kon hebben, want dan zou ik na een half jaar niet meer zo vrolijk rond kunnen huppelen. Niets bleek echter minder waar, want toen mijn moeder besloot dat het drinken echt uit de hand liep, moest ik naar de dokter. In de huisartsenpraktijk volgde een kort gesprekje, waarna ik nog steeds geloofde dat er helemaal niets met mij aan de hand was, totdat ik op de weegschaal moest gaan staan. Zonder er iets van te merken was ik 10 kilo afgevallen. Maar diabetes? Dat kon niet na dat half jaar. Dan was ik al lang zieker. Of in coma.

De uiteindelijke uitslag weten jullie al: twee rode hokjes. Bloedglucose en HbA1c. Mijn lichaam blijkt niet zo snel (of gewoon geen) ketonen aan te maken, waardoor veel symptomen ontbraken, maar dat wil niet zeggen dat hoge waardes niet ongezond zijn. Na een dag of drie insuline spuiten had ik een bloedglucose van 18, en aangezien ik van ‘HI’ afkwam, was dat niet zo schrikbarend. Een stuk schokkender was die HbA1c. In dat rode hokje stonden welgeteld drie cijfers op een rij: 158. Slik. Zucht.

De diabetesverpleegkundige bedacht nog om het positief te interpreteren: ”Nou, Anne, die is de volgende keer zeker beter!”. En gelijk heeft ze.

Ik denk wel eens terug aan één van de avonden dat ik uit ging, en zo’n gigantische dorst had dat ik 10 glazen cola (niet light uiteraard) achterover werkte. Aan de keer dat ik zó’n trek had in stroopkoeken, dat ik een pak kocht in de supermarkt en dat in één keer op at. Aan de keer dat ik behoorlijk veel frietjes at, en daarna zoveel dronk dat mijn buik zo opgezet en vol zat met water dat ik kotsend boven de wc hing. Aan de dag van de diagnose: ik fietste naar huis van mijn werk bij een ijssalon, uiteraard met een heerlijk ijsje in mijn hand, toen ik telefoon kreeg met de mededeling ‘dat ik naar het ziekenhuis moest omdat mijn bloedsuiker te hoog was’ . Dat ijsje? Dat heb ik uiteraard gewoon opgegeten. Allemaal zonder insuline. Met diabetes.

Achteraf had ik het kunnen weten. Achteraf was er veel meer aan de hand dan ”een beetje dorst”, maar dat zijn dingen die je je pas later realiseert. Het is niet erg. Ik kan weer naar school fietsen mét kracht in mijn benen, ik word niet 4x per nacht wakker omdat ik moet plassen, drinken of een gigantische spierkramp als uitdrogingsverschijnsel heb. Ik heb geen vreetbuien meer. Al die vage kwaaltjes en klachten zijn weg, en ik ben geen 10 kilo dikker, maar 10 kilo gezonder geworden.