Naar de inhoud springen

Het schuldgevoel van Type 1 – Veerle

Toen ik gediagnosticeerd werd met diabetes was dat in eerste instantie een diagnose Type 2. Ik was pas 23, maar veel te zwaar, waardoor de artsen dit logisch vonden. Met deze diagnose ging behoorlijk schuldgevoel gepaard: hoe had ik dat zover laten komen? Wat had ik mezelf aangedaan?

Mijn reactie op dit schuldgevoel was typisch Veerle: ik ging er iets aan doen. Ik zou er vanaf komen. Dus daar ging ik. Meer dan 10 kilo lichter en 6 maanden later kwam de waarheid dan toch naar boven: toch Type 1. Dat schuldgevoel was misplaatst. Niet dat ik ineens niet meer te zwaar was, maar de toch wel nare dingen die ik mezelf had verweten, die bleken (op z’n minst gedeeltelijk) onterecht. Ik dacht dat daarmee de kous van het diabetes schuldgevoel af was. Want aan Type 1, daar kan je niks aan doen.

Er gaat geen hypo of hyper voorbij dat ik niet denk: ‘had ik maar.’ Als ik te hoog zit na een pizza, die ook nog eens zorgt voor een gebroken nacht, dan voelt het als ‘eigen schuld’. Als ik ondanks een dalende lijn op m’n FSL eigenwijs door blijf wandelen, maar vervolgens vriendlief moet melden dat we toch moeten stoppen want tsja, die hypo komt toch flink binnen – dan voel ik me schuldig. Tegenover mijn vriend, mijn omgeving, m’n lijf en m’n gezondheid.

Als ik ervoor kies om me een avond een keer niet druk te maken over die pijltjes en nummertjes, dan voel me daarna schuldig ‘want dat had ik toch kunnen weten?’ Als ik toch dat stuk taart eet ondanks een hoge bloedsuiker, dan denk ik: ‘had ik beter niet kunnen doen’. Maar ik wil ook leven, genieten en heel af en toe even niet aan diabetes denken. Het liefst zonder schuldgevoel.

En dan heb ik het nog niet eens over de onverklaarbare waarden, waarvan je toch ook altijd de schuld bij jezelf zoekt. De mentale vermoeidheid die diabetes met zich mee kan brengen, gecombineerd met dat nijpende schuldgevoel dat geregeld de kop op steekt zorgt ervoor dat ik in een soort vicieuze cirkel beland, waar alleen een dag met goede bloedsuikers me uit lijkt te kunnen halen.

Ik probeer vaak aan mensen uit te leggen dat als T1D alleen het fysieke stukje was, dat ik dat lang niet zo erg zou vinden. Pomp, meten, tellen, toedienen. Als dat alles was? Maar het is die mentale handel die nooit stopt, de continue aandacht die diabetes vraagt, de rekenmachine in m’n hoofd die begint te tellen zodra het woord ‘taart’ valt en de tweestrijd in m’n hoofd tussen diabetes en wat ik wil. En waar voor het gemak m’n gewicht ook nog geregeld een rol in speelt.

Zeg ik ja of nee tegen dat stukje taart? Ja, want ik hou van taart. Nee, want m’n bloedsuiker zit op 14. Nee, want ik wil liever het weekend een extra wijntje of toetje (dat gewicht blijft ook een ding…). Ja, maar ik hou van taart. En als ik dan uiteindelijk overstag ben en heb gekozen voor een kleiner stukje taart en m’n bloedsuiker omhoog zie vliegen waardoor ik later op de dag moe en chagrijnig ben – dan is het er weer: dat schuldgevoel van Type 1. Want dit had ik toch kunnen zien aankomen?