Naar de inhoud springen

De spagaat van patiënt en student in de hulpverlening | Anne

Mijn hele diabetesgeschiedenis staat gepubliceerd op het internet. Alle ellende, blijdschap en verdriet heeft een plekje in mijn columns gekregen, van de dag van mijn diagnose tot vandaag. Iedereen kan met wat simpele Google zoektermen alles zien en lezen: hoe ik op eigen houtje alle insulinepompen een week aan mijn lijf plak, hoe ik prik met iemand anders lancet en prikpen, hoe mijn hypo-eetbuien eruit zien, hoe ik er soms compleet doorheen zit … er is maar weinig wat onbesproken blijft. Maar met het oog op de toekomst vind ik dat soms ook lastig.

Als alles loopt zoals ik hoop dat het loopt, begin ik vanaf september aan een master medische psychologie. Het is een opleiding waarin diabetes, en thema’s daaraan verbonden, best vaak centraal staan. Therapietrouw, ‘acceptatie’, angst- en stemmingsproblemen die bij ziekte komen kijken, spelen bij diabetes én de opleiding medische psychologie een hoofdrol – en dat is niet waarvoor ik de betreffende studie kies. Integendeel. Ik vind het allemaal bijzonder ingewikkeld. Nu al.

Ik heb namelijk op de eerste plaats helemaal geen zin om ‘het studiegenootje met diabetes’ te zijn. Ik wil geen ogen in mijn rug voelen prikken als een collegegever vertelt over complicaties. Ik wil ontdekken wat er van me overblijft als ik niet alleen interessant ben door mijn cyber-uitstraling, en neig ernaar om die diabetes en alle apparatuur die aan mijn lijf hangt, te verstoppen. Het is ingewikkeld om te balanceren tussen patiënt en student zijn. Ik weet niet hoe ik me moet opstellen tijdens een practicum ‘bloedglucose meten’. En wat ik moet doen als iedereen liefkozend een pleister om de vinger geplakt krijgt na een vingerprik. Ik weet niet of ik er iets van moet zeggen als docenten generaliserende opmerkingen over diabetes maken, die vanuit mijn patiëntenperspectief net niet helemaal fijn voelen.

Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat ik in mijn toekomstige werk en stage te maken krijg met mensen met type 1 diabetes, maar ik weet niet of ik met hen wil en kan werken. Aan de ene kant heb ik met veel mensen met type 1 een soort van instant bonding omdat je elkaar op manieren kunt begrijpen die anderen niet écht snappen. En ik ben ervan overtuigd dat je als psycholoog met type 1, betrokken bij een diabetesteam, van grote waarde kunt zijn. Toch komt er echt wel veel meer bij kijken: hoe terughoudend ben je met het vertellen over je eigen aandoening als er iemand tegenover je zit met precies hetzelfde? Waar is in dat geval de grens tussen betrokkenheid en afstand? Ik neig ernaar om daar terughoudend in te zijn en ben ervan overtuigd dat het extra stukje begrip en kennis dat je door je eigen ervaringen hebt, kan floreren door de manier waarop je dingen doet en zegt. Maar aan de andere kant zou ik het zelf wel erg waarderen als ik het zou weten als ik een hulpverlener met type 1 tegenover me heb zitten.

Ik ben bang om de dingen als vanzelfsprekend te vergelijken met mijn eigen situatie, en onbewust te oordelen over hoe zij het doen, of hoe ik het doe. Om te oordelen in termen van ‘beter’ of ‘slechter’, waar het in feite gewoon ‘anders’ is. Ik weet niet of ik het zie zitten om, naast de persoonlijke dagtaak die ik er al aan heb, professioneel óók nog met type 1 bezig zijn.

Hoe moet ik mensen motiveren tot ‘therapietrouw’ (ik heb een hekel aan die term!), als ik mezelf verre van ‘therapietrouw’ voel en het toppunt van een eigenwijze patiënt ben? Ik was mijn handen niet voor ik vingerprik. Ik verwissel de lancet nooit. Spoot ooit dagenlang met hetzelfde naaldje. Eet absoluut véél méér dan 15 gram koolhydraten bij een hypo. Dat geef ik ruiterlijk toe en is elders op het internet al vaak genoeg uitgebreid beschreven. Maar wil ik dat studiegenoten, supervisors en toekomstige patiënten dat weten? Liever niet, misschien, maar naast ‘therapie-ontrouw’ zijn die dingen vooral ook heel menselijk. En dat mag er ook zijn, als je het mij vraagt.

De spagaat van patiënt en student in de hulpverlening. Het is een ingewikkelde positie, waarin je zelf voor allerlei lastige dilemma’s komt te staan. Toch geloof ik heel erg dat je door dat dubbele perspectief ook van grote meerwaarde kunt zijn. Omdat je als geen ander weet hoe vanzelfsprekend het is om níet altijd therapietrouw te zijn. Om verdriet en pijn te hebben. Om niet meer beter te worden. Om een prognose vol complicaties te hebben. Om hulpverleners te hebben die zich met dingen bemoeien. Om ergens te zitten waar je helemaal niet wíl zitten. Want uiteindelijk zijn we allemaal maar gewoon mens, doen we dingen goed, maar ook heel veel dingen fout. Allemaal.